Favorieten schaatsen Olympische Spelen 2026

Favorieten schaatsen Olympische Spelen 2026

De Winterspelen zijn geen seizoen, maar een toernooi. En dus kijk je er als voetballiefhebber naar zoals je naar een bekerweek kijkt: je zoekt de teams met vorm, de spelers met lef, en de routiniers die weten hoe je een finale “uitspeelt”. Op het ijs werkt het precies zo. Niet wie in december het hardst reed, wint automatisch in februari. Je wint omdat je op het uur nul koel blijft, je plan durft te volgen en op het juiste moment toeslaat. Hier zijn de Favorieten schaatsen Olympische Spelen 2026 voor de schaatsmedailles in Milaan–Cortina 2026, met de belangrijkste Nederlandse kansen én de buitenlandse stoorzenders die je serieus moet nemen. OSM-Tips.nl presenteert de favorieten schaatsen Olympische Spelen 2026 special!

Voorbeschouwing schaatsen Olympische Spelen 2026 Kjeld Nuis

Nederlandse favorieten: waar TeamNL het goud kan pakken

Bij de vrouwen ligt de Nederlandse hoop het meest concreet. Femke Kok is op de 500 meter de naam die het dichtst bij “zeker” komt in een sport waarin niets zeker is. Sprinten op de Spelen is hard en wreed: één omloop, één misstap, één fractie te veel spanning in de bocht. Maar Kok rijdt met het soort overtuiging dat je in voetbal herkent bij een spits die drie wedstrijden op rij alles raakt: ze maakt van druk iets dat haar juist sterker lijkt te maken.

Op de 1.000 meter staat Jutta Leerdam in een vergelijkbare rol. De kilometer is de afstand van ritme, power en controle. Leerdam heeft die lange versnelling die een finale kan openbreken, zoals een speler die in minuut 70 nog één keer een hele verdediging uit elkaar trekt. Als zij haar dag heeft, dwingt ze de rest om perfect te zijn.

Voorbeschouwing schaatsen Olympische Spelen 2026 Jutta Leerdam

En dan is er Marijke Groenewoud, misschien wel de meest “toernooivaste” Nederlandse troef. Omdat ze niet alleen hard kan rijden, maar ook slim. In de massastart – het onderdeel dat het meest op voetbal en wedstrijdlezen lijkt – telt koersinzicht: positioneren, afwachten, niet gek maken, en dan toeslaan op het moment dat iedereen denkt dat het te laat is. Groenewoud heeft dat. En omdat ze óók op andere afstanden mee kan doen in het verhaal, kan zij in Milaan de Nederlandse speler worden die in één toernooi meerdere keren beslissend is.

Joy Beune blijft daarbij de naam die alles kan kantelen op de 3.000 meter. Dit is de afstand waarop je niet “even” wint. Je moet er durven lijden met beleid. Als Beune haar topdag vindt, is ze het type dat van een olympische finale een demonstratie kan maken. Maar zelfs als het geen solorit wordt, blijft zij een sleutel in de Nederlandse goudpuzzel.

Buitenlandse supersterren bij de vrouwen: wie kan Nederland pijn doen?

Op de 1.500 meter bij de vrouwen hangt één naam als een constante boven het toernooi: Miho Takagi. De 1.500 is de afstand waar sprinters en stayers elkaar treffen, en juist daar is Takagi al jaren de maatstaf. Ze rijdt met de rust van een aanvoerder die een finale al tien keer heeft meegemaakt: ze panikeert niet, ze forceert niet te vroeg, en ze weet precies wanneer ze de wedstrijd moet “beslissen”.

Op de langere afstanden is Ragne Wiklund het gevaar dat je niet moet onderschatten. Noorwegen is vaak het land van de stugge motoren en de ritten waarin het tempo blijft stijgen terwijl anderen instorten. Wiklund past in dat profiel. Als de baan zwaar aanvoelt en het toernooi meer om inhoud dan om pure snelheid draait, groeit haar kans.

En dan zijn er de factoren die je niet in trainingsschema’s vangt: thuisvoordeel en toernooikracht. Een Italiaanse als Francesca Lollobrigida kan op het juiste moment méér zijn dan haar seizoen deed vermoeden, simpelweg omdat een olympisch toernooi in eigen land soms iets losmaakt wat je nergens anders ziet.

Mannen: de grote favoriet en de Nederlandse hoop op een stunt

Bij de mannen draait veel om één figuur: Jordan Stolz. Hij domineert op meerdere afstanden en rijdt met het soort vanzelfsprekendheid dat je in voetbal alleen ziet bij een speler die net iets sneller denkt dan de rest. Stolz is niet alleen snel, hij is ook efficiënt: weinig verspilling, weinig ruis, veel controle.

Toch zit er in olympische sprint altijd ruimte voor een verrassing, juist omdat het op de kortste afstanden op details beslist wordt. En daar komt Nederland in beeld, met Jenning de Boo als symbool van de nieuwe sprintgeneratie. De Boo is explosief, onbevangen en gevaarlijk omdat hij niet lijkt te wachten op “later”. In een finale kan één perfecte ronde genoeg zijn om het script te slopen. Hij is geen zekerheid voor goud, maar wél het type speler dat een groot toernooi ineens een andere richting kan geven.

Voorspelling schaatsen Olympische Spelen 2026 - Jenning de Boo

Achter de topnamen blijft Kjeld Nuis de routinier die je niet zomaar wegzet. Misschien niet meer de man die vanzelf alles wint, maar wel iemand die weet hoe je een olympische race moet rijden: kalm, gecontroleerd, met een plan. En in toernooien wint ervaring soms van hype.

Lange afstanden mannen: internationale oorlog, Nederlanders als outsiders

Op de 5.000 meter en 10.000 meter bij de mannen is het internationale geweld groter dan het Nederlandse vertrouwen. Sander Eitrem en Timothy Loubineaud hebben de winter opgeschud met tempos die de afstand opnieuw definiëren. Metodej Jílek is de jonge uitdager die geen ontzag lijkt te kennen en die juist in toernooien gevaarlijk kan zijn omdat hij niets te verliezen heeft.

Op de 10.000 meter komt daar een naam bij die je met rood omcirkelt als je het over “thuisfinales” hebt: Davide Ghiotto. Een lange afstand in eigen land kan een extra laag krijgen, alsof het publiek het laatste duwtje meegeeft wanneer je lichaam al wil stoppen. En in datzelfde deel van het programma kunnen verrassingen ontstaan, met bijvoorbeeld Vladimir Semirunniy als renner—pardon, rijder—die je niet met spektakel wint, maar met hardheid.

Nederland kan hier alleen verrassen met een uitzonderlijke dag, een scenario waarin iemand boven zichzelf uitstijgt. Het is mogelijk, maar het is niet de veilige route naar goud.

De belangrijkste Nederlandse kanshebbers in Milaan–Cortina 2026

Als je als Nederlandse kijker de namen wil onthouden die het meest direct met olympisch goud verbonden zijn, dan kom je telkens uit bij hetzelfde viertal: Femke Kok, Jutta Leerdam, Marijke Groenewoud en Joy Beune. Zij zijn de ruggengraat van het Nederlandse optimisme, omdat ze elk op een onderdeel of rol zitten waar je echt kunt winnen.

En bij de mannen is de naam die het gevoel van “stuntpotentie” het best samenvat: Jenning de Boo. Niet omdat hij al dé gevestigde kampioen is, maar juist omdat toernooien soms gewonnen worden door iemand die nergens bang voor is.

Waarom dit toernooi anders kan uitpakken dan je denkt

Het mooie – en het wrede – van de Spelen is dat vorm niet hetzelfde is als zekerheid. Een toernooi is een serie finales. Je kunt top zijn, maar als je één keer te veel spanning hebt, ben je klaar. En je kunt outsider zijn, maar als je precies op tijd piekt, sta je ineens op het podium alsof het altijd zo heeft moeten zijn.

Dat is waarom deze Winterspelen zo interessant worden. Nederland heeft bij de vrouwen meerdere routes naar goud. Bij de mannen is het harder werken voor kansen, maar juist daarom is elke mogelijke verrassing groter, mooier en legendarischer.

Nu weer voetbal of andere sport?

Na het lezen van de voorspelling schaatsen Olympische Spelen 2026, of de voorbeschouwing schaatsen Olympische Spelen 2026 of de favorieten schaatsen Olympische Spelen 2026 liever weer over de voetbal lezen? Lees hier onze Scorito winterstop tips of, voor de wielerliefhebber, lees de voorbeschouwing voorjaarsklassiekers 2026!